|
|
Wat doen ze in ons lichaam ?
Hun werking is vooral belangrijk ter hoogte van
de dikke darm.
Vezels worden namelijk niet verteerd door de menselijke
spijsverteringsenzymen in de dunne darm. Dit wil zeggen dat ze
als zodanig in de dikke darm terechtkomen.
In die dikke darm vergroten vezels het volume van de
darminhoud, door hun aanwezigheid op zich (aangezien
ze niet worden verteerd), en doordat ze ook water binden.
De onoplosbare vezels worden zo goed als niet
afgebroken, maar binden wel water, net als een spons, waardoor
ze uitzetten en extra volume aan de darminhoud geven. De
oplosbare vezels binden ook water en vormen bovendien een gel,
waardoor de darminhoud niet alleen in volume toeneemt, maar
ook een zachte consistentie krijgt. Hierdoor wordt de dikke
darm gestimuleerd, waardoor men een betere darmtransit
zal krijgen, en er dus minder kans is op constipatie
(verstopping). Door het grotere volume en de snellere transit
kunnen eventueel aanwezige kankerverwekkende of toxische
(giftige) stoffen, minder in contact komen met de darmwand,
wat het risico op darmkanker vermindert.
Bovendien wordt door de grotere darminhoud en de betere
passage het ontstaan van uitstulpingen in de darm (diverticulose)
voorkomen.
Een deel van de voedingsvezels, vooral de
oplosbare, wordt in de dikke darm wel gefermenteerd door de
aanwezige darmbacteriën. Dit beïnvloedt de samenstelling van
deze darmbacteriën, waarbij vooral de gunstige soorten meer
zullen groeien, en het verhoogt ook weer het volume van de
stoelgang.
Als gevolg van een hoge vezelinname zal de darmtransit dus
verbeteren, men zal minder last hebben van constipatie en
minder risico lopen op bepaalde darmaandoeningen.
Deze aandoeningen, zijn overigens typische
'beschavingsziekten', die nauw samenhangen met de
voedingsgewoonten. Epidemiologische studies tonen aan dat in
streken waar men meer 'natuurlijk' (onbewerkt) voedsel eet,
bijna geen darmkanker voorkomt. Dit is bijvoorbeeld zo in
sommige streken van Afrika, waar soms dubbel zoveel vezels
worden gegeten als gemiddeld hier in België.
Nog in het begin van deze eeuw was ook de
voeding van onze grootouders van nature uit zeer vezelrijk:
men at veel aardappelen, groenten en volkorenbrood. Sinds de
Tweede Wereldoorlog is onze voeding steeds geraffineerder
geworden: wit brood, witte rijst, pasta's, gebak van witte
bloem,... Bovendien is het gebruik van aardappelen, brood en
groenten de laatste decennia sterk gedaald. Het is dan ook in
deze periode, vooral de laatste decennia, dat het voorkomen
van darmkanker en constipatie sterk is toegenomen.
Naast
deze effecten op de darmwerking hebben vezels het voordeel dat
ze een groot verzadigingsgevoel geven, terwijl
ze nagenoeg geen energie leveren (aangezien ze niet worden
afgebroken en opgenomen in het lichaam). Zo zijn ze ook in een
vermageringsdieet aangewezen.
Ook voor suikerzieken hebben voedingsvezels voordelen: ze
vertragen namelijk de opname van suikers, waardoor de stijging
van het suikergehalte in het bloed minder groot zal zijn. Dit
kan het bloedsuikermetabolisme bij
suikerzieken verbeteren.
Oplosbare voedingsvezels zouden bovendien een gunstige invloed
hebben op het cholesterolgehalte, doordat ze de
heropname van cholesterol in de darm verminderen. Dit is
gunstig in het kader van de preventie van hart- en
vaatziekten. Uit epidemiologische studies bleek in de jaren
'70 al een verband tussen een hoge vezelinname en een
verminderd voorkomen van hart- en vaatziekten. Dit
cholesterolverlagende effect werd bevestigd in een aantal
interventiestudies, waaruit bleek dat het de oplosbare vezels
waren, zoals deze in groenten en fruit, die een daling van de
cholesterolwaarden kunnen bewerkstelligen.
terug naar artikelen>>>
|